rechtbank, rechter, uitspraak

‘Rijbewijs blijft voorlopig ongeldig wegens mogelijke examinator-fraude’

Een beroepschauffeur van wie het rijbewijs ongeldig werd verklaard wegens mogelijke betrokkenheid bij examinator-fraude, krijgt in afwachting van het besluit op zijn bezwaar zijn rijbewijs niet terug. De voormalig rijbewijsbezitter probeerde via een kort geding bij de rechter een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs. Op die manier wilde hij de periode tot de rechterlijke uitspraak op zijn bezwaar overbruggen. Maar het niet professioneel kunnen deelnemen aan het verkeer is ondergeschikt aan het belang van de verkeersveiligheid. Dat heeft de voorzieningenrechter dinsdag besloten. 

Het CBR liet in februari van dit jaar van bijna 200 mensen het rijbewijs ongeldig verklaren vanwege vermoedelijke betrokkenheid bij examinator-fraude. Het CBR besloot de verklaring van rijvaardigheid van al deze automobilisten in te trekken, omdat een examinator aan de politie verklaarde dat hij rijbewijskandidaten tegen betaling liet slagen. Het is nog niet onomstotelijk bewezen dat de chauffeur die het kort geding startte bij de fraude betrokken was. In die zin kan het bezwaar volgens de voorzieningenrechter niet kansloos genoemd worden, zo valt in de uitspraak te lezen. Maar de voorlopige voorziening is wegens de verdenken van fraude afgewezen.

Politie

Uit een rapportage van de politie blijkt dat de CBR-examinator uit Purmerend onder andere in 2012 tegen betaling kandidaten liet slagen voor het praktijkexamen. De examinator deed dit onder meer voor de rijschool van de voormalig rijbewijsbezitter. De verdachte rijschool reserveerde het examen, waarna de kandidaat een voldoende haalde. Dit terwijl hij bij zes eerdere pogingen via andere rijscholen zijn praktijkexamen niet haalde.

De chauffeur deed eerder achtereenvolgens in april, mei, juli, juli, augustus en november van 2012 B-praktijkexamens, maar werd steeds negatief beoordeeld. De zesde keer zakte hij wegens verkeersgevaarlijk rijden. “Het is voor het CBR voldoende aannemelijk geworden dat hij tijdens het praktijkexamen waarbij hij slaagde, niet voldeed aan de eisen voor afgifte van de rijvaardigheidsverklaring.”

Automobilist

Maar volgens de automobilist is er in de politie-rapportage onvoldoende bewijs om aan te nemen dat hij tegen betaling ten onrechte zijn verklaring van rijvaardigheid gekregen heeft. “Uit het onderzoek komen geen feiten of omstandigheden naar voren die de verdenking voor een redelijk vermoeden van schuld kunnen opleveren”, zo was het verweer.

Dat hij zijn praktijkexamen eerder zes keer zonder te slagen aflegde voordat hij naar een van de verdachte rijscholen ging, is naar zijn zeggen dan ook niet voldoende voor de beschuldiging dat hij zijn rijvaardigheidsbewijs door omkoping heeft verkregen. Daarbij stelde hij dat hij twee jaar lang zijn rijbewijs heeft gehad en dagelijks voor zijn werk in een grote bestelbus reed, maar nooit betrokken is geweest bij een auto-ongeluk.

Rijbewijs

De voorzieningenrechter laat in de uitspraak weten dat vaststaat dat de politie-rapportage voornamelijk betrekking heeft op de examinator. “Maar de politie heeft op basis van een achttal indicatoren onderzocht in welke gevallen een ‘meer dan regelijk vermoeden’ bestaat dat een kandidaat onterecht is geslaagd. De politie komt op basis van haar onderzoek op 197 gevallen, waaronder dus de verzoeker, waarin een vermoeden bestaat dat de kandidaat onterecht is geslaagd.”

De voorzieningenrechter is daarbij van oordeel dat het niet van belang is of er verkeersgerelateerde overtredingen zijn begaan door de beroepschauffeur. “Het is van belang dat er geen twijfel is over de vraag of de fraude heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat zijn dagelijkse werkzame leven is verstoord als gevolg van het besluit. Maar het belang van de verkeersveiligheid noopt het CBR tegen fraude op te treden. Het al dan niet tijdelijk niet professioneel kunnen deelnemen aan het verkeer met de auto is gezien deze vermoedens aan dat belang ondergeschikt.” De voorzieningenrechter vindt het belang van het CBR zwaarwegender.

Examen

Het verzoek om een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter dan ook afgewezen. Hij laat daarbij weten dat in zijn oordeel meeweegt dat de man alsnog een praktijkexamen kan afleggen als hij zich daarvoor aanmeldt bij het CBR. Met deze uitspraak blijft het rijbewijs van de chauffeur in ieder geval tot de rechterlijk besluit op zijn bezwaar ongeldig. Wanneer de zaak door de rechter wordt behandeld, is vooralsnog overigens niet bekend.

Roosmarijn Dierick

Auteur: Roosmarijn Dierick

Reageer ook

Nog maximaal tekens

Log in via een van de volgende social media partners om je reactie achter te laten.